[ Home ]

Koolmees en pimpelmees samen op een vetbol, in de tuin bij hotel-restaurant Groot Warnsborn, Arnhem, januari 1997.
Vaak laten pimpelmezen zich allerminst intimideren door de aanzienlijk grotere koolmees.

Bron: Gelders landschap - winter 1997 - blz. 7

Als je 's winters wat vetbollen of een pindasnoer ophangt maak je een goede kans geregeld te worden opgevrolijkt door een stel dartele acrobaten. Want in vrijwel elke tuin komen de geel-zwarte koolmees en de blauw-gele pimpelmees op bezoek. De enige voorwaarde is dat in de omgeving wat houtig gewas aanwezig is. Met wat meer bomen en struiken rondom dient zich misschien ook de grijs-zwarte matkop aan. Woon je vlak bij naaldbossen dan kunnen ook de zwarte mees met zijn witte nekvlek en de bruinachtige kuifmees verschijnen. En in de buurt van oud loofbos ten­slotte vertoont zich met enig geluk de glanskop. Deze lijkt sterk op de matkop, maar laat in plaats van diens 'pèh, pèh, pèh' een geheel daarvan afwijkend 'pitsjè' horen.

Concurrentie

Onvermoeibaar stropen groepjes mezen de bossen, parken en tuinen af. Als zij je lekkernijen hebben ontdekt en goedgekeurd nemen ze je adres op in hun dagelijkse foerageroutes. Maar pas op, er is concurrentie; veel buurtgenoten voeren ook!
Probeer daarom een streepje voor te krijgen bij de vogeltjes door hen iets extra lekkers te bieden. Ik probeer het deze winter met zelfgemaakte vetbollen van Diamantvet met veel zonnebloemzaden. Die zonnepitten rooster ik eerst even in de koekenpan, want dat ruikt zo lekker. En nu maar hopen dat de mezen dat ook vinden!

Groepje pas uitgevlogen jonge koolmezen bij een drinkplekje op Het Soerel bij Nunspeet, juni 1991. Jonge mezen hebben hetzelfde verenkleed als hun ouders, alleen veel fletser.
Koolmezen

Aardigheid

Er zijn rechtzinnige natuurliefhebbers die vinden dat wintervoedering uit den boze is. Want daardoor overleven meer zwakke exemplaren en zou de vitaliteit van de populatie als geheel kunnen afnemen. Of zij vinden het bezwaarlijk dat sommige soorten meer profiteren dan andere, waardoor de populatieverhoudingen scheefgetrokken kunnen worden. Anderen zijn principieel tegen, simpelweg omdat het voeren van in het wild levende dieren 'onnatuurlijk' zou zijn. Allemaal serieuze argumenten, maar daar staat tegenover dat de vogels in de tuin ons veel aardigheid bezorgen. En aardigheid is de basis voor interesse en zorg voor de natuur. Wel moeten we onze voedering strikt beperken tot de wintermaanden. Want in het voorjaar hebben onze mezen en hun jongen dierlijk voedsel, zoals rupsen, nodig

Zwarte mees
Zwarte mees, gelokt met vetbol, in jong sparrenbos bij Hotel De Bilderberg, Oosterbeek, februari 1984. Zijn kenmerkende witte kruintje is net zichtbaar.

Druktemakers

De mezen zitten geen ogenblik stil. Het ene moment bungelen ze ondersteboven aan een takje of twijgje. Even later zitten ze op een vetbol, soms met twee of zelfs drie tegelijk. Daarbij maken ze zich dreigend groot met opgezette veren. Lang niet altijd is de grootste de baas. Een assertieve pimpel staat hoger op de sociale mezenladder dan een grotere maar minder zelfverzekerde koolmees. Wie scherpe foto's van deze druktemakers wil maken mag wel een sluitertijd van minstens 1/250 seconde kiezen. Of flitsen, maar dan krijg je vaak een lelijke donkere achtergrond, alsof het nachtdieren zijn. Behalve beweeglijk en monter zijn de mezen ook mooi van kleur en tekening. Kijk maar eens hoe prachtig warmgeel met kobaltblauw een pimpel kan zijn. En let eens op het ragfijne zwart-met-witte patroontje in het kuifje van de kuifmees!

Holenbroeders

Gelukkig zien we niet alleen 's winters mezen in de tuin. Vooral de koolmees en de pimpel­mees broeden in groten getale in nestkastjes binnen de bebouwde kom. Soms gebeurt dit zo dicht bij huis dat we vanuit de woonkamer kunnen volgen hoe de vogels met mosjes en later met haar komen aanzetten voor het nest. En als de jongen uit het ei zijn gekropen zien we de ouders wel vijftig keer per dag arriveren met een snavel vol rupsjes of spinnetjes en vaak weer vertrekken met een 'vuile luier'. Dit is een wit, in een vlies verpakt pakketje uitwerpselen van een jong. Zo voorkomen de dieren dat hun nest een smeerboel wordt. Van nature broeden mezen vooral in boomholtes, maar in de menselijke omgeving kiezen ze naast nestkastjes ook nissen en spleten in gebouwen en zelfs brievenbussen, blikjes, wegpaaltjes of een oude pomp.

Kuifmees
Kuifmees, landgoed Schaarsbergen, Arnhem, februari 1997. Van alle mezen is de kuifmees de meest typische naaldbosbewoner. Hij zoekt zijn voedsel vooral langs de schors van oude dennen.

Bosvogels

Zoals de meeste bosvogels is het onze mezen de laatste honderdvijftig jaar voor de wind gegaan. Zij profiteerden van de grootschalige bebossing van de Veluwe en andere woeste gronden en ook van het ontstaan van groene buitenwijken bij steden en dorpen. Geleidelijk wordt het bos ouder, gevarieerder en geschikter als leefgebied. Heel belangrijk is hierbij dat de bosbeheerders tegenwoordig veel meer ruimte geven aan natuurlijke processen, zoals dode bomen laten staan en berkenopslag dulden. Juist berken zijn, vooral in hun aftakelingsfase, voor veel soorten mezen van groot belang als nestboom.

Links oud naaldbos met enkele berken op landgoed Schaarsbergen, rechts oud loofbos met veel beuken op landgoed Mariëndaal, beide in Arnhem. De situering van de verschillende mezensoorten ten opzichte van het bostype/de bostypen er boven geeft in grote trekken de mate aan waarin zij naaldbos, loofbos of een menging daarvan prefereren.

Toename

Hoe gunstig de veroudering van het bos en het natuurlijker bosbeheer voor de mezen kan zijn blijkt uit de broedvogelinventarisaties van landgoed Hoekelum bij Bennekom.
De gegevens in de 'Avifauna van Wageningen en wijde omgeving' (KNNV Vogelwerkgroep Wageningen, 1993) geven aan dat vrijwel alle mezensoorten daar de afgelopen veertig jaar enorm in aantal zijn toegenomen. Gunstige ontwikkelingen dus. Maar er zijn ook verontrustende berichten. In een aantal zeer voedselarme, verzuringsgevoelige en afgelegen Veluwse gebieden zoals de Buunderkamp, Deelerwoud, Loenermark en de Stakenberg worden de broedresultaten slechter als gevolg van kalkgebrek door de zure regen. Om gezonde eieren te ontwikkelen moeten mezen voldoende kalk eten. Die kalk komt vooral van slakkenhuisjes. En in de meest verzuurde gebieden zijn deze sterk achteruit gegaan.

Pimpelmees in de tuin bij hotel-restaurant Groot Warnsborn, Arnhem, januari 1997. Wat is hij prachtig kobaltblauw en warmgeel, zo in het zonnetje.
Pimpelmees

Mezengeluiden

Jac. P. Thijsse schrijft in 'Het Vogeljaar' (de 5de druk, uit 1942): 'de meezengeluiden zijn zoo verschillend, dat je nog nieuwe erbij hoort, als je er al tien jaar lang op gelet hebt'. Toch geeft hij van de meeste soorten een of meer kenmerkende deuntjes of riedeltjes weer. Zo kennen we van de koolmees vooral het drielettergrepige 'tie-tie-tuu, tie-tie-tuu', maar ook 'tserr, tserr'. Thijsse voegt hier aan toe: 'Al naar de manier waarop de koolmees sommige van deze tonen herhaalt en accentueert, hoort het volk hem zeggen: "schiet in 't vuur, schiet in 't vuur" of "spin dikke, spin dikke"'. Bekend van de pimpel­mees is onder meer: 'tsi-tsi-serr, tsi-tsi-serr' en van de zwarte mees een melancholiek klinkend: 'te-tsi, te-tsi' en vooral ook 'fietse, fietse' of 'wietse, wietse'. De kuifmees zingt spinnend en borrelend: 'burrurrrit', 'tsi-tsi-turrr' of alleen 'turrr-turrr'. Van de matkop noemden we al het zeurderig-nasale: 'ti-ti-ti tsjèh' en 'pèh, pèh, pèh'. De glanskop als laatste klinkt explosiever: 'pitsjè' of scheldend 'tsjèdèdèdè'.

Matkop
Matkop op hetzelfde takje de kuifmees hierboven. Net buiten beeld hing een vetbol. Landgoed Schaarsbergen februari 1997.

 

Het geslacht Parus: de echte mezen

De benaming 'echte mezen' suggereert dat er ook 'onechte' zijn en dat is ook zo. Want ook al zijn de staartmees en de buidelmees meesachtig klein, kwiek en behendig, zij behoren niet tot de mezenfamilie van het geslacht Parus.
De echte mezen die hier wel toe behoren hebben een karakteristieke koptekening met lichte wangen en donker masker. Het zijn allemaal bosbewoners en holenbroeders, die witte, roodachtig gespikkelde eitjes leggen. 's Zomers eten zij insecten, 's winters ook veel zaden. In Europa leven negen Parus soorten, waarvan zes in ons land: de glanskop, matkop, kuifmees, zwarte mees, pimpelmees en koolmees. Hiervan komt de glanskop het minst en de koolmees het meest voor.
Voor het werkgebied van de Vogelwerkgroep Arnhem en omstreken, waarin het Nationaal Park Veluwezoom en het Montferland liggen, geeft het boek 'Vogels in het Hart van Gelderland' (Rob Lensink, Uitgeverij KNNV/SOVON, 1993) de volgende aantals-schattingen:

Broedparen Hart van Gelderland:
Glanskop 1.350 - 1.650
Matkop 2.500 - 3.000
Kuifmees 3.800 - 5.100
Zwarte Mees 6.900 - 9.000
Pimpelmees 13.000- 15.000
Koolmees 26.000 - 30.000

 

Korte kenschets per soort:

Glanskop

Lengte circa 11,5 cm. Leeft in hoogopgaand loof- of gemengd bos.
Een echte landgoederensoort, net als de boomklever. Standvogel, meestal paarsgewijs. Nijvere zadenhamsteraar, vaak te zien in ondergroei. Lijkt sprekend op de matkop, maar glanzender kop, donkerder vleugelspiegel en iets slanker en ranker; verschil in zang (zie bij 'Mezengeluiden'). Nestelt in boomholte of verwaarloosde oude nestkast. 7 tot 10 eieren, broedduur 13 - 15 dagen, als regel één broedsel.

Glanslop
Glanskop met zonnebloem­zaad, Park Rosendael, Rozendaal, 2 februari 1991. Hij lijkt sprekend op de matkop, maar zijn kopje glanst in de zon!

Matkop

Lengte ongeveer 11,5 cm. Leeft in naald- en gemengd hout, maar ontbreekt ook in moerasbos niet. Voorkeur voor zachthoutsoorten: berk, naaldhout, zwarte els, populier, wilg; geen beuk en eik. Ook in moerasbossen met oude wilgen. In tegenstelling tot de andere mezensoorten houdt de matkop er een groot territorium op na en moet hij honderden meters vliegen om dit tegen soortgenoten te verdedigen.
's Winters samen met andere mezen en goudhaantjes. Lijkt sterk op glanskop maar heeft meer dofzwarte kruin en lichter vleugelveldje, gevormd door lichte randjes aan armpennen.
Hakt vaak zelf nesthol in vermolmd hout. 6 tot 10 eieren, broedduur 13 - 15 dagen. De jongen vliegen na 16 - 19 dagen uit. Eén legsel per jaar.

Kuifmees

Lengte 11,5 tot 12 cm. Leeft in naaldbossen, vooral oude opgaande dennenbossen, maar ook in oude douglas en fijnspar. Eveneens in aangrenzende buitenwijken met veel oude coniferen. In kleinere, meer verspreid gelegen naaldbossen veel lagere dichtheden dan op centrale Veluwe. Vaak hoog in de bomen. De kuifmees zoekt zijn prooi voornamelijk langs de stam, met name op de dikke schors van oude dennen, de zwarte mees meer aan het uiteinde van twijgen. Eet 's winters veel dennen­zaden. Hakt of pulkt zelf nest uit in verrot hout, vaak in dode berk. Gebruikt ook wel holten in de dichte takkenmassa van oude nesten van grotere vogels. Zelden in nestkast. 7 tot 10 eieren, broedduur 13 tot 15 dagen. De jongen vliegen na ongeveer 20 dagen uit. Vaak twee legsels per jaar.

Zwarte mees

Lengte circa 11 cm. Vogel van oud en hoog opgaand naaldhout. Tevens in daar aan grenzende tuinen en op begraafplaatsen met oude coniferen. Net als bij de kuifmees veel lagere dichtheden in meer geïsoleerde naaldbospercelen dan op de centrale Veluwe en in het Montferland. Buiten broedtijd samen met andere mezen. Foerageert 's winters op zaden van naaldbomen en beukenootjes. Broedt in holten, spleten en nestkasten, maar ook wel op de grond in verlaten konijnen- en muizenholen. 7 tot 10 eieren, broedduur 14 - 18 dagen. De jongen vliegen na 17 - 18 dagen uit. Twee broedsels per jaar. Af en toe invasie uit het noorden en oosten van Europa.

Pimpelmees

Lengte 11,5 tot 12 cm. Voorkeur voor loof- en gemengde bossen; met veel ondergroei van heesters. Ook in parken en tuinen met oude loofbomen en oude boomgaarden. Buiten broedseizoen ook vaak in rietvelden. Nestelt in boom- en andere holtes en in nestkasten met kleiner vlieggat dan koolmees. Ook wel in oude winterkoningnesten. Meestal 10 tot 12 eieren, broedduur 13 tot 14 dagen, na 16 tot 21 dagen uitvliegen. Soms ook tweede broedsel. Standvogel, maar soms invasies uit Noord-Europa.

 
Badende koolmees, Het Soerel, Nunspeet, mei 1991. Baden en vervolgens poetsen zijn nodig om stof en parasieten kwijt te raken en het verenpak in goede conditie te houden.
Koolmees

Koolmees

Lengte ongeveer 14 cm. Komt overal voor waar houtige begroeiing aanwezig is. Algemeen in alle soorten bossen, parken en tuinen. Enige soort waarbij geslachten verschillen: 'stropdas' mannetje breder en zwarter dan bij vrouw­tje. Vaak in troepen met andere mezen. Broedt in boom- en andere holtes en in nestkasten. 7 tot 10 eieren, broedduur 13 of 14 dagen. 18 dagen na uitkomen verlaten de jongen het nest. Periodiek komen grote aantallen vogels uit Noord- en Oost-Europa naar ons land.

Teksten en foto's Koos Dansen
Met dank aan Rob Vogel, Sovon Vogelonderzoek Nederland

[ Home ]   [ Naar overzicht ]