Burgerlijke stand en volkstelling

Het Nederlands Instituut voor Ecologie houdt al vanaf 1955 bij hoeveel mezen er op Vlieland broeden. In de vijftiger jaren zijn daarvoor de eerste nestkasten opgehangen.
Naarmate de Vlielandse bossen wat ouder en rijker werden kwamen er steeds meer mezen en dus ook meer nestkasten. Op dit ogenblik hangen er zo'n 480 kasten (vanaf het Cavaleriekamp tot op het bedrijventerrein). In 1955 broedden er nog maar zo'n 7 paar koolmezen op het eiland, de pimpelmees broedde er pas regelmatig vanaf 1964. De laatste vijf jaar varieerde het aantal broedende koolmezen van 127 tot 161 paren per jaar. Het aantal paren van de pimpelmees varieerde in deze periode van 42 tot 58.
De verwachting is dat de aantallen nog kunnen toenemen naarmate de door Staatsbosbeheer gewenste omzetting van naaldhout naar loofhout gestalte krijgt. Het bos wordt dan rijker aan voedsel voor de mezen.


Bestandsontwikkeling Pimpelmees en Koolmees op Vlieland.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen Vlieland West en Oost.         Jan Visser NIOO-KNAW 
 

Van al die jaren is precies bekend hoeveel eieren er werden gelegd en hoeveel jongen er uitgevlogen zijn. Vrijwel alle jongen die op Vlieland uitvliegen worden geringd en de identiteit van de ouders is meestal bekend.
In feite wordt er van de mezen op Vlieland een 'burgerlijke stand' bijgehouden, waarin gegevens over geboorte, sterfte en migratie zo goed mogelijk worden bijgehouden. De meeste gegevens worden in het broedseizoen verzameld. Door wekelijks de nestkastjes te controleren kan het wel en wee van een mezenbroedsel nauwkeurig gevolgd worden. Niet alle broedpogingen zijn succesvol. Maar na een mislukt broedsel wordt er vaak direct weer een nieuwe poging ondernomen.
In 1999 vlogen er 1237 jonge mezen uit (751 kool- en 486 pimpelmezen). In het broedseizoen 2000 was daarvan nog maar heel weinig in leven, namelijk 64 koolmezen (9%) en 38 pimpelmezen (8%). Hieruit blijkt dat maar liefst 90% van de jonge mezen het volgende broedseizoen niet haalt. Daarvan zijn er misschien een paar van het eiland vertrokken om hun heil elders te zoeken, maar de meeste zijn omgekomen.
Uit plukresten en braakballen weten we dat veel jonge mezen gepakt worden door de sperwer, die in de tijd dat de jonge mezen uitvliegen ook een nest met jongen moet groot brengen. Sperwers eten de mezen met ring en al op, maar ze kunnen de aluminium ringen natuurlijk niet verteren. Die worden samen met andere onverteerbare resten uitgebraakt in de vorm van kleine braakballen.
Door naarstig zoeken, waarbij we soms een metaaldetector gebruiken, worden jaarlijks vele tientallen braakballen gevonden en onderzocht. Zo kunnen we zien welke mezen er door de sperwers gepakt worden en uit welke nestkast ze afkomstig zijn.
Een sterftepercentage van 90% in het eerste jaar lijkt enorm hoog, maar toch blijven er voldoende jonge mezen over om de bevolkingsdichtheid op peil te houden en zelfs te laten toenemen.


Braakballen Sperwer en een Nederlandse gulden
Jan Visser


lees verder

Bron: Mezenonderzoek op Vlieland (www.nioo.knaw.nl)


Sperwer -
Guido Aijkens